Misschien is dit
wel het
meest belangrijk
als je stage gaat lopen
of aan het werk gaat:
dat je goed omgaat
met andere mensen.
 |
Op school kun je dat al oefenen. Daar werk je
al samen met anderen in de klas. |

2. Sociale
vaardigheden
Je leert:
- overleggen
- luisteren naar de mening van
iemand
- je eigen mening geven
- omgaan met kritiek
- kritiek geven

- plannen maken
-
afspraken maken
-
afspraken op tijd nakomen
-
verzorgd werk afleveren
Dat zijn voorbeelden
van sociale
vaardigheden.
Om goed om te gaan met
anderen
heb je deze vaardigheden nodig.
Op je werk of je stage
heb je dat bijvoorbeeld nodig als je:
En wat ook heel
belangrijk is!
Je weet wat je moet doen
als het even niet goed gaat.
-
Je kunt omgaan met
kritiek,
je wordt niet boos.
-
Je kunt kritiek geven,
je beledigt de ander niet.
-
Je kunt samen met
iemand een oplossing vinden,
je gebruikt kritiek op een goede manier.
Je leert van kritiek.
 |
Op het werk of je stage heb je niet alleen met je eigen belang te maken.
Je moet ook rekening houden met de anderen. |
Je hebt respect
voor de ander.

3. Verschillende collega's
Op je werk en je stage
heb je vaak met veel mensen te maken.
Bijvoorbeeld:
-
je baas,
-
collega's,
-
klanten.
Die
zijn allemaal
verschillend
:
-
oud of jong,
-
man of vrouw,
-
snel of langzaam,
-
druk of rustig,
|
 |
|
Iedereen
is anders.
Toch is het de
bedoeling:
-
dat je met iedereen
goed kunt omgaan
-
dat je voor jezelf
opkomt
-
dat je
nee durft
te zeggen
-
dat je rekening
houdt
met de ander.
 |
Als je dat kunt dan ben
je
assertief .
Je kunt voor jezelf opkomen
met respect voor de ander. |
Denk
altijd hieraan:
Iedereen maakt fouten.
Niemand kan alles.
Niemand is volmaakt.
Of ben jij dat wel? |
 |
Iedereen heeft
talenten.
Iedereen heeft iets wat hij goed kan.
Dat moet je gebruiken.
Kijk naar de goede kanten van mensen.
Dan wordt het op je
stage of je werk
steeds leuker.

Waarom is samenwerken belangrijk?
Waar je ook werkt
of stage loopt:
|
|
-
in het
magazijn,
-
in de
keuken,
-
in de
timmerwerkplaats
-
of
ergens anders?
|
Overal is goede samenwerking
nodig.
 |
Samen met je baas
en je
collega's kun je ervoor zorgen
dat het goed gaat met het bedrijf, de winkel
of de dienst. |
Net als bij het
voetballen
of andere sporten kun je alleen iets bereiken als je als een team
samenwerkt. |
 |
Je moet:
-
een ander helpen
als dat nodig is,
-
op tijd een
boodschap doorgeven,
-
hulp vragen als
iets niet lukt,
-
zeggen als je het
ergens niet mee eens bent.

Je geeft:
Je zoekt samen met je
collega's naar oplossingen.
Zo leer je er iedere keer iets nieuws bij.
bij hoofdstuk 1 tot en met 4

5. Vooroordeel
Stage lopen en
werken is leuk.
Toch gaat het soms niet goed.
Daarom moet je het volgende stuk
ook goed lezen.
 |
Iedereen is verschillend.
Collega's zijn
ook allemaal anders,
al lijken ze misschien hetzelfde. |
Misschien is een collega:
 |
- dik,
- van
buitenlandse afkomst,
- langzaam,
-
slechthorend?
|
Daarover hebben mensen
soms een vooroordeel.
-
Een vooroordeel is een vast idee over iets.
-
Dat oordeel hebben mensen
al van tevoren.
-
Mensen met een vooroordeel
hebben vaak een verkeerd idee over iemand.
Zo'n vooroordeel kan zijn:
 |
'Dikke mensen
zijn lui.'
'Buitenlanders willen niet
werken.'
'Mensen die slecht
horen
zijn dom.' |

Een voorbeeld
Hier lees je een voorbeeld
van een vooroordeel.
‘Een Marokkaanse medewerker
neemt elke zomer vier weken vrij.

Zijn collega’s denken
dat hij ieder jaar
naar zijn familie in Marokko gaat.
Maar dat hebben ze hem
nog nooit gevraagd.
Ze
denken gewoon dat het zo is.
Zelf kunnen de collega’s geen 4 weken weg.
Zolang krijgen zij geen vrij van hun baas.
Zij zijn jaloers.
Ze
vinden dat de Marokkaanse collega
wordt voorgetrokken.
Dat vinden zij niet eerlijk.
Daarom gaan ze over hem roddelen.
Ze maken hem zwart, dat doen ze stiekem.
Maar wat is er aan de hand?
De
Marokkaanse collega
gaat ieder jaar mee
als begeleider van fietsvakanties.

- Heb jij ook
een vooroordeel?
- Of heb jij misschien last
van een vooroordeel van
anderen?
Bron: De P&O’ er van de toekomst heeft oog voor diversiteit, TNO, 2004.

6. Roddelen en pesten
Ook zijn er collega's die jaloers
zijn.
Ze zijn jaloers op een collega:
- om een mooie auto
- om een nieuw huis
- om een verre vakantie
- of omdat iedereen
die collega
aardig vindt.
 |
Mensen met vooroordelen
of mensen die jaloers zijn
gaan vaak roddelen. |
Ze proberen dan om hun collega
een slechte naam te geven.
Dat heet ook wel:
iemand zwart
maken.
Heb jij wel eens geroddeld?
Kwam dat door een vooroordeel?
Of was je jaloers?
 |
Door roddelen
kan de sfeer
op het werk heel erg vervelend worden.
Doe er niet aan mee. |
Je kunt je collega wel helpen.
Hoe?
-
Praat er met die collega
over.
-
Zeg tegen de roddelaars
wat je er van vindt.
-
Ga naar je baas en vertel het.
Als je zelf last hebt van roddels
zeg het ook tegen je baas.
Het
is belangrijk dat een baas er iets aan doet.
 |
Grote bedrijven hebben vaak
een vertrouwenspersoon.
De
vertrouwenspersoon
kan mensen helpen
bij problemen met collega's
zoals: |
- roddelen
- pesten
-
seksuele intimidatie.
Intimidatie
betekent schrik aanjagen.
Schrik
aanjagen, intimideren
kan op verschillende manieren:
- met
een grote mond,
- met
gebaren,
- door
de houding,
- met
wapens,
- met
geweld.


7.
Seksuele intimidatie
Als iemand steeds dingen zegt
of grapjes maakt
die over seks gaan,
wat je niet wilt en niet fijn vindt.
Als iemand iets zegt over jouw
lichaam
wat je niet wilt en niet fijn vindt.
Als iemand jou dingen vraagt over
seks
wat je niet wilt en niet fijn vindt.
Als iemand je steeds belt
of mailtjes of sms'jes
stuurt over seks,
wat je niet wilt en niet fijn vindt.
 |
Als iemand je aanraakt
als je dat niet wilt,
als je dat niet fijn vindt.Als iemand je gaat betasten
of
zelfs aanrandt.
|
Dat kan
overal gebeuren:
-
op school,
-
op het werk,
-
op de stage,
-
bij je club,
-
in je buurt.


8. Wat moet je doen?
Wat
moet je doen als iemand je lastig valt?
Zeg tegen de persoon
die jou lastig
valt
dat je het NIET wilt,
dat hij moet STOPPEN.

Zeg het tegen mensen die je
vertrouwt
dat iemand je lastigvalt.
Zij kunnen je helpen.
Bijvoorbeeld:
- je ouders
-
vrienden
- een leraar.
 |
Als je stage loopt,
vertel het dan
aan je stagebegeleider. |
Als het op school gebeurt,
vertel het aan je mentor.
Een
werkgever,
een baas,
is verplicht
om je te helpen.
Vertel het dus aan je baas. |
Als dat
allemaal niet lukt
dan kun je bij de politie
aangifte doen.
 |
De politie bellen
De politie heeft
een algemeen nummer.
Dat is voor het hele land:
0900 8844
Je wordt dan
automatisch
doorverbonden
met de politie in jouw buurt.
De politie gaat je helpen.
|